JURIDISCH DOSSIER · GELDEND RECHT

De Transgenderwet 2014 — art. 1:28 BW

Op 1 juli 2014 trad in Nederland de Transgenderwet in werking. Sindsdien is voor de wijziging van de geslachtsregistratie in de geboorteakte geen sterilisatie en geen genitale chirurgie meer vereist. Wat wel vereist bleef: een verklaring van een ter zake deskundige en een leeftijd van zestien jaar of ouder.

Vóór 2014: de sterilisatie- en operatie-eis

De juridische erkenning van geslachts­wijziging werd in Nederland voor het eerst geregeld bij de Wet van 24 april 1985 (Stb. 1985, 243), die op 1 juli 1985 in werking trad. Volgens de regering was Nederland daarmee een van de eersten in Europa (bron). De wet stelde harde lichamelijke voorwaarden. Wie de vermelding van het geslacht in de geboorteakte wilde laten wijzigen, moest lichamelijk aan het verlangde geslacht zijn aangepast ‘voor zover dit uit medisch of psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is’, en mocht nimmer meer in staat zijn kinderen te verwekken of te baren. Bovendien moest de rechtbank het verzoek toewijzen (bron).

Concreet betekende dit: zonder blijvende onvruchtbaarheid geen juridische erkenning. Internationaal kwam deze koppeling onder druk te staan. De Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa, Thomas Hammarberg, schreef in 2009 dat sterilisatie of andere medische behandeling geen verplichte voorwaarde voor erkenning zou moeten zijn, en de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa riep in 2010 op tot erkenning zonder verplichte sterilisatie of andere medische procedures (bron).

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in Christine Goodwin v. the United Kingdom (2002) dat het ontbreken van juridische erkenning van het gewijzigde geslacht artikel 8 EVRM schond (bron). Over sterilisatie als voorwaarde had het Hof zich in 2012 nog niet uitgesproken; de regering schreef toen dat het Hof de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laat (bron). Dat oordeel kwam pas na de Nederlandse wetswijziging: in A.P., Garçon en Nicot v. Frankrijk (2017) oordeelde het Hof dat Frankrijk bij twee van de drie verzoekers artikel 8 had geschonden, omdat zij voor erkenning moesten aantonen dat de verandering van hun uiterlijk onomkeerbaar was; volgens de verzoekers kwam dat neer op een operatie met een grote kans op onvruchtbaarheid (bron).

De wijziging van 2014

Met de Wet van 18 december 2013 (Stb. 2014, 1) schafte de Nederlandse wetgever de voorwaarden van fysieke aanpassing aan het gewenste geslacht en absolute onvruchtbaarheid af (bron); de wet trad op 1 juli 2014 in werking (bron). De wijziging werd ingebed in een nieuw stelsel: niet langer een rechterlijke procedure, maar een aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, met een deskundigen­verklaring (bron).

WETSTEKST · ART. 1:28 LID 1 BW (EERSTE ZIN, GELDEND SINDS 1 JULI 2014)

«Iedere Nederlander van zestien jaar of ouder die de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de akte van geboorte, kan van die overtuiging aangifte doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de desbetreffende akte berust.»

Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 1, artikel 28, eerste lid, eerste zin (bron).

Wat formeel veranderde, en wat niet

In essentie zijn er vier wijzigingen ten opzichte van het regime van 1985:

  • De eis van lichamelijke aanpassing aan het verlangde geslacht verviel.
  • De eis dat de betrokkene nimmer meer in staat zou zijn kinderen te verwekken of te baren verviel (bron).
  • De rechterlijke procedure werd vervangen door een aangifte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand (bron).
  • Er kwam een minimumleeftijd van zestien jaar. Volgens de regering was dat ten opzichte van de praktijk geen beperking, omdat de toen vereiste onomkeerbare medische ingrepen niet vóór de meerderjarigheid werden uitgevoerd (bron).

En wat bleef:

  • Een verklaring van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen deskundige; dat is een arts of psycholoog (bron).
  • De juridische sekse blijft binair: de wet spreekt van ‘het andere geslacht’; een derde optie is langs deze route niet voorzien (bron).

De deskundigenverklaring als filter

De deskundigen­verklaring is geen formaliteit. Volgens de regering moest de ambtenaar van de burgerlijke stand volledig op de verklaring kunnen varen, en diende zij ook om uit te sluiten dat de wens tot wijziging is ingegeven door een psychiatrische stoornis (bron). De deskundige verklaart dat de betrokkene tegenover hem de overtuiging heeft uitgesproken tot het andere geslacht te behoren, de voorlichting over de reikwijdte en betekenis daarvan heeft begrepen en de wijziging weloverwogen blijft wensen; hij geeft de verklaring niet af als hij gegronde reden heeft om aan die overtuiging te twijfelen (bron). De wet schrijft geen diagnose voor, en dus ook geen DSM-classificatie als ‘genderdysforie’.

Dit is exact het scharnierpunt waar het wetsvoorstel van 2021 (Kamerstuk 35 825) op aangreep. Dat voorstel wilde de deskundigen­verklaring schrappen en de leeftijdsgrens van zestien jaar laten vervallen; kinderen jonger dan zestien zouden een verzoek bij de rechter moeten doen (bron). In plaats van de verklaring kwam een procedure bij de ambtenaar van de burgerlijke stand: eerst een schriftelijke kennisgeving, en na vier tot twaalf weken een bevestiging in persoon, waarbij de ambtenaar de identiteit controleert en de wilsbekwaamheid beoordeelt (bron). De Raad van State wees erop dat de ambtenaar zich daarbij, anders dan in de bestaande procedure, geen inhoudelijk oordeel vormt (bron). Daarmee zou de inhoudelijke toetsing door een deskundige verdwijnen en zou de wijziging in feite op zelfidentificatie berusten.

Casus: positie van de deskundigenverklaring in 2014

Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011/12, 33 351, nr. 3)

De regering motiveert het behoud van de deskundigen­verklaring zo: de rol van de deskundige is de duurzame overtuiging van de genderidentiteit te bevestigen. Daarvoor is volgens de regering te meer reden nu de ambtenaar van de burgerlijke stand volledig op de verklaring moet kunnen varen, en ook om uit te sluiten dat de wens tot wijziging is ingegeven door een psychiatrische stoornis (bron). Die duurzaamheid keert in 2021 terug in het advies van de Raad van State over het voorstel tot afschaffing: de Afdeling advisering vroeg zich af of de duurzaamheid van de wens voldoende vaststaat als die wens binnen vier tot twaalf weken niet verandert (bron).

Internationale context: een middenpositie

De Transgenderwet 2014 plaatste Nederland in een Europese middenpositie. Strikter dan de Argentijnse wet van 2012, die geen operatie, hormoonbehandeling of andere psychologische of medische behandeling als voorwaarde stelt (bron), maar opener dan het Britse stelsel onder de Gender Recognition Act 2004, waarin een Gender Recognition Panel onder meer moet vaststellen dat de aanvrager genderdysforie heeft of heeft gehad en twee jaar in het verworven gender heeft geleefd (bron).

In de jaren erna verschoof het zwaartepunt van het debat. Spanje voerde in 2023 de zogeheten ‘Ley Trans’ in, waarmee iedere Spanjaard vanaf zestien jaar zelf om wijziging van de geslachtsregistratie kan vragen (bron). Duitsland nam in 2024 het Selbstbestimmungsgesetz aan: zelf-identificatie via een verklaring bij het Standesamt (bron). In april 2025 oordeelde de UK Supreme Court in For Women Scotland v The Scottish Ministers dat ‘man’, ‘woman’ en ‘sex’ in de Equality Act 2010 verwijzen naar biologische sekse — niet naar een door een certificaat verworven juridische sekse (bron).