JURIDISCH DOSSIER · GELDEND RECHT
De Transgenderwet 2014 — art. 1:28 BW
Op 1 juli 2014 trad in Nederland de Transgenderwet in werking. Sindsdien is voor de wijziging van de geslachtsregistratie in de geboorteakte geen sterilisatie en geen genitale chirurgie meer vereist. Wat wel vereist bleef: een verklaring van een ter zake deskundige en een leeftijd van zestien jaar of ouder.
Vóór 2014: de sterilisatie- en operatie-eis
De juridische erkenning van geslachtswijziging werd in Nederland voor het eerst geregeld bij de Wet van 24 april 1985. Die wet was internationaal vroeg, maar stelde harde lichamelijke voorwaarden. De wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte vereiste dat de betrokkene fysiek ‘voor zover dat uit medisch en psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is’ was aangepast aan het andere geslacht, en bovendien blijvend onvruchtbaar was.
Concreet betekende dit: zonder sterilisatie geen juridische erkenning. Voor mensen die niet wilden of niet konden opereren — en voor mensen voor wie de toen geldende ingrepen medisch niet haalbaar waren — was er geen route naar wijziging van de juridische sekse. Internationaal kwam deze koppeling onder druk te staan, onder meer door rapportages van de Raad van Europa en door uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het Hof oordeelde in een reeks zaken, beginnend bij Christine Goodwin v The United Kingdom (2002), dat lidstaten verplicht zijn juridische erkenning van een gewijzigde geslachtsidentiteit mogelijk te maken, maar liet de inrichting daarvan grotendeels aan de nationale wetgever. De combinatie van het Goodwin-arrest en latere uitspraken zoals L. v Litouwen (2007), Schlumpf v Zwitserland (2009) en met name Y.Y. v Turkije (2015) versmalde de marge waarbinnen sterilisatie als voorwaarde kon worden gehandhaafd.
De wijziging van 2014
Met de Wet van 18 december 2013 (Stb. 2014, 1), in werking getreden per 1 juli 2014, schafte de Nederlandse wetgever de operatie- en sterilisatie-eis uit artikel 1:28 BW af. De wijziging werd ingebed in een nieuw stelsel: niet langer een rechterlijke procedure, maar een gang naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, op vertoon van een deskundigenverklaring.
WETSTEKST · ART. 1:28 BW (KERN, GELDEND PER 1 JULI 2014)
«Iedere Nederlander die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en die de overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de akte van geboorte, kan op deze grond verzoeken om wijziging van de vermelding van het geslacht in die akte, indien hij daartoe een verklaring overlegt van een deskundige.»
Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 1, artikel 28 (verkorte parafrase van de hoofdregel — voor de exacte huidige tekst zie wetten.overheid.nl).
Wat formeel veranderde, en wat niet
In essentie zijn er drie wijzigingen ten opzichte van het regime van 1985:
- De eis van blijvende lichamelijke aanpassing aan het andere geslacht verviel.
- De eis van onvruchtbaarheid (sterilisatie of hormonaal vergelijkbaar) verviel.
- De rechterlijke procedure werd vervangen door een verzoek bij de ambtenaar van de burgerlijke stand.
En wat bleef:
- De overtuiging tot het andere geslacht te behoren moet worden vastgesteld door een deskundige (in de praktijk: een gespecialiseerde psycholoog of psychiater).
- De leeftijdsdrempel van zestien jaar.
- De juridische sekse blijft binair: M of V — een derde optie is langs deze route niet voorzien.
De deskundigenverklaring als filter
De deskundigenverklaring is geen formaliteit; zij is wettelijk gepositioneerd als de toets die voorkomt dat de juridische geslachtswijziging puur op zelf-verklaring berust. De deskundige moet zich ervan vergewissen dat de overtuiging duurzaam is en dat de betrokkene de strekking van het verzoek begrijpt. De wet schrijft geen diagnose voor — en zeker geen DSM-classificatie als ‘genderdysforie’ — maar in de praktijk werken deskundigen wel binnen klinische kaders die mede daarop steunen.
Dit is exact het scharnierpunt waar het wetsvoorstel van 2021 op aangreep. Dat voorstel wilde de deskundigenverklaring afschaffen en de juridische sekse-wijziging reduceren tot een verklaring bij de gemeente. Daarmee zou de toetsing-door-een-derde verdwijnen, en de juridische figuur effectief overgaan op zuivere zelf-identificatie.
Casus: positie van de deskundigenverklaring in 2014
Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011/12, 33 351, nr. 3)
De regering motiveert het behoud van de deskundigenverklaring met onder meer het argument dat de juridische geslachtswijziging onomkeerbaar gevolgen heeft voor het personen- en familierecht (afstamming, naamrecht, registratie van kinderen, internationaal privaatrecht) en dat een toets door een ter zake deskundige nodig blijft om lichtvaardige of onder druk genomen beslissingen te voorkomen. Deze motivering — duurzaamheid en onomkeerbaarheid — keert in 2021 terug in de Raad van State-kritiek op het voorstel tot afschaffing.
Internationale context: een middenpositie
De Transgenderwet 2014 plaatste Nederland in een Europese middenpositie. Strikter dan de Argentijnse wet van 2012 — die als eerste een zuiver zelf-identificatie-model invoerde — maar opener dan de meeste oost-Europese stelsels en dan het Britse stelsel onder de Gender Recognition Act 2004, dat een Gender Recognition Panel kent.
In de jaren erna verschoof het zwaartepunt van het debat. Spanje voerde in 2023 de zogeheten ‘Ley Trans’ in met zelf-identificatie vanaf zestien jaar. Duitsland nam in 2024 het Selbstbestimmungsgesetz aan: zelf-identificatie via een verklaring bij het Standesamt. Tegelijkertijd ontstond verzet, ook van vrouwenorganisaties en juristen, en in april 2025 oordeelde de UK Supreme Court in For Women Scotland v The Scottish Ministers dat ‘woman’ en ‘sex’ in de Equality Act 2010 verwijzen naar biologische sekse — niet naar een door een certificaat verworven juridische sekse.